Vaccinaties kat

.

PAARDENINFLUENZA

Aandoeningen van de luchtwegen zijn bij paarden erg belangrijk omdat ze een directe, maar vaak ook grote indirecte invloed hebben op hun prestaties.

Het paardengriepvirus is een influenzavirus van het A type, met twee verschillende subtypen: equi-1 (H7N7) en equi-2 (H3N8). De virale infectie veroorzaakt een ontsteking van het slijmvlies van de luchtwegen en na een incubatietijd (tijd tussen moment van besmetting en het moment waarop de ziekteverschijnselen zichtbaar zijn) van ca. 1–5 dagen treden griepachtige verschijnselen op. De klinische ziekteverschijnselen als geheel kunnen het paard sterk verzwakken en houden ongeveer 10 dagen aan, de hoest soms langer. Net als bij de mens zijn paarden die genezen van influenza niet immuun: bij een volgende blootstelling slaat het virus weer aan.

Vaccinatie is een belangrijke manier van bescherming. Het beschermt de gevaccineerde dieren maar is ook een belangrijk onderdeel om uitbraken van griep tegen te gaan. Verder is vaccinatie verplicht als u met uw paard start op de wedstrijden. Dit heeft te maken met de grotere kans op besmetting van de paarden en verspreiding van het virus op plaatsen waar paarden bij elkaar worden gebracht.

SYMPTOMEN

  • Ziekteverschijnselen kunnen binnen 3–15 dagen na besmetting optreden:
  • Hoge koorts (39,4–41,1 °C)
  • Lusteloosheid
  • Slecht presteren
  • Gebrek aan eetlust
  • Harde, droge hoest
  • Snelle ademhaling
  • Vergrote lymfeklieren van de onderkaak
  • Dikke benen (oedeem)
  • Neusuitvloeiing –van waterig tot geel-groen gekleurd (een snotneus)
  • Ooguitvloeiing
  • Spierpijn

PREVENTIE

Vaccinatie is een belangrijk middel in de preventie en vermindert de ernst van de verschijnselen.

Paarden krijgen een basisvaccinatie, gevolgd door een jaarlijkse boostervaccinatie. Factoren die de kans op blootstelling verhogen, zoals deelname aan wedstrijden, kunnen het nodig maken de vaccinatie om de 6 maanden te herhalen, in plaats van om het jaar.

Bij paarden die nieuw aan een kudde of groep worden toegevoegd moet goed nagekeken worden of hun vaccinaties in orde zijn.

Ook goed management en handhaving van een goede hygiëne zijn essentieel om de verspreiding van virusdeeltjes tegen te gaan. Regelmatig moeten hygiënische maatregelen, zoals het desinfecteren van transportmiddelen, emmers en andere materialen, worden uitgevoerd. Mensen die met paarden omgaan, moeten vaak hun handen wassen.

Paarden die griepverschijnselen vertonen, moeten onmiddellijk worden geïsoleerd (apart zetten) om de kans op verspreiding naar andere paarden zo klein mogelijk te houden.

BEHANDELING

Het apart zetten (isoleren) van zieke paarden in een stofvrije, goed geventileerde stal met absolute stalrust is het belangrijkste onderdeel van de behandeling.

Het voer moet eventueel smakelijker worden gemaakt zodat het beter wordt opgenomen, bijvoorbeeld door zachter voer te geven of vochtig gemaakt hooi van goede kwaliteit.

Ontstekingsremmers kunnen worden toegediend om de koorts te bestrijden. Als zich een secundaire bacteriële infectie ontwikkelt (longonsteking), kunnen tevens antibiotica worden toegediend.

Tot 2 weken na het verdwijnen van de griepverschijnselen, mag het paard zich niet zwaar inspannen.

DIAGNOSE

De ziekteverschijnselen die bij paardeninfluenza optreden, doen zich ook voor bij andere ademhalingsziekten, zoals droes, EHV-1 en -4 (rhinopneumonie) en bacteriële longontsteking.

Vaak wordt op basis van de ziektegeschiedenis en de kenmerkende droge hoest bij niet-gevaccineerde paarden de diagnose influenza gesteld. Omdat gevaccineerde paarden vaak maar zeer milde griepverschijnselen vertonen en erg weinig virus uitscheiden, moeten bij deze paarden voor een exacte diagnose neusswabs worden genomen om het virus te isoleren. Dit kan in een laboratorium worden gedaan.

PAARDENINFLUENZA

Aandoeningen van de luchtwegen zijn bij paarden erg belangrijk omdat ze een directe, maar vaak ook grote indirecte invloed hebben op hun prestaties.

Paardengriep komt bij alle paardenpopulaties voor; er zijn uitbraken van griep over de hele wereld (met uitzondering van Nieuw-Zeeland en IJsland). Deze uitbraken kunnen het sportseizoen behoorlijk bederven. Paardensportevenementen, waarbij grote aantallen paarden bij elkaar komen, bevorderen de verspreiding van het influenzavirus, dat via de luchtwegen wordt overgedragen. De ziekte is zeer besmettelijk en virusdeeltjes kunnen direct van paard op paard of via besmette materialen en kleding worden overgedragen. Van groepen paarden die niet gevaccineerd zijn en nooit eerder met het virus in contact zijn geweest, raakt bijna 100% geïnfecteerd.

Het paardengriepvirus is een influenzavirus van het A type, met twee verschillende subtypen: equi-1 (H7N7) en equi-2 (H3N8). De virale infectie veroorzaakt een ontsteking van het slijmvlies van de luchtwegen en na een incubatietijd (tijd tussen moment van besmetting en het moment waarop de ziekteverschijnselen zichtbaar zijn) van ca. 1–5 dagen treden griepachtige verschijnselen op. De klinische ziekteverschijnselen als geheel kunnen het paard sterk verzwakken en houden ongeveer 10 dagen aan, de hoest soms langer. Net als bij de mens zijn paarden die genezen van influenza niet immuun: bij een volgende blootstelling slaat het virus weer aan.

Vaccinatie is een belangrijke manier van bescherming. Het beschermt de gevaccineerde dieren maar is ook een belangrijk onderdeel om uitbraken van griep tegen te gaan. Verder is vaccinatie verplicht als u met uw paard start op de wedstrijden. Dit heeft te maken met de grotere kans op besmetting van de paarden en verspreiding van het virus op plaatsen waar paarden bij elkaar worden gebracht.

SYMPTOMEN

Ziekteverschijnselen kunnen binnen 3–15 dagen na besmetting optreden:

Hoge koorts (39,4–41,1 °C)

Lusteloosheid

Slecht presteren

Gebrek aan eetlust

Harde, droge hoest

Snelle ademhaling

Vergrote lymfeklieren van de onderkaak

Dikke benen (oedeem)

Neusuitvloeiing –van waterig tot geel-groen gekleurd (een snotneus)

Ooguitvloeiing

Spierpijn

PREVENTIE

Vaccinatie is een belangrijk middel in de preventie en vermindert de ernst van de verschijnselen.

Paarden krijgen een basisvaccinatie, gevolgd door een jaarlijkse boostervaccinatie. Factoren die de kans op blootstelling verhogen, zoals deelname aan wedstrijden, kunnen het nodig maken de vaccinatie om de 6 maanden te herhalen, in plaats van om het jaar.

Bij paarden die nieuw aan een kudde of groep worden toegevoegd moet goed nagekeken worden of hun vaccinaties in orde zijn.

Ook goed management en handhaving van een goede hygiëne zijn essentieel om de verspreiding van virusdeeltjes tegen te gaan. Regelmatig moeten hygiënische maatregelen, zoals het desinfecteren van transportmiddelen, emmers en andere materialen, worden uitgevoerd. Mensen die met paarden omgaan, moeten vaak hun handen wassen.

Paarden die griepverschijnselen vertonen, moeten onmiddellijk worden geïsoleerd (apart zetten) om de kans op verspreiding naar andere paarden zo klein mogelijk te houden.

BEHANDELING

Het apart zetten (isoleren) van zieke paarden in een stofvrije, goed geventileerde stal met absolute stalrust is het belangrijkste onderdeel van de behandeling.

Het voer moet eventueel smakelijker worden gemaakt zodat het beter wordt opgenomen, bijvoorbeeld door zachter voer te geven of vochtig gemaakt hooi van goede kwaliteit.

Ontstekingsremmers kunnen worden toegediend om de koorts te bestrijden. Als zich een secundaire bacteriële infectie ontwikkelt (longonsteking), kunnen tevens antibiotica worden toegediend.

Tot 2 weken na het verdwijnen van de griepverschijnselen, mag het paard zich niet zwaar inspannen.

DIAGNOSE

De ziekteverschijnselen die bij paardeninfluenza optreden, doen zich ook voor bij andere ademhalingsziekten, zoals droes, EHV-1 en -4 (rhinopneumonie) en bacteriële longontsteking.

Vaak wordt op basis van de ziektegeschiedenis en de kenmerkende droge hoest bij niet-gevaccineerde paarden de diagnose influenza gesteld. Omdat gevaccineerde paarden vaak maar zeer milde griepverschijnselen vertonen en erg weinig virus uitscheiden, moeten bij deze paarden voor een exacte diagnose neusswabs worden genomen om het virus te isoleren. Dit kan in een laboratorium worden gedaan.

Hier komt de inhoud van de toggle

Rhinopneumonie is een besmettelijke infectie, veroorzaakt door het Equine herpesvirus EHV-1 en EHV-4. Bijna alle paarden in Nederland zijn drager van dit virus, zonder symptomen te vertonen. Na infectie blijft dit virus immers levenslang slapend aanwezig in het paard. Je kunt dit vergelijken met het herpesvirus dat een koortslip veroorzaakt bij mensen. Als gevolg van stress of een periode van vermoeidheid (bv bij transport, zware inspanning) kan het virus gereactiveerd worden waardoor er opnieuw uitscheiding en verspreiding van virus naar andere paarden is. Dit verklaart de plotselinge uitbraken en maakt de bestrijding van EHV zo moeilijk.

 

Wat zijn de gevolgen van rhinopneumonie?

De symptomen van rhino zijn heel uiteenlopend. Zoals bij veel virale infecties is een verhoging van de lichaamstemperatuur (tot 41°C) een eerste alarmsignaal. De luchtwegaandoening lijkt erg op griep. De besmetting met het virus gebeurt 2-10 dagen voor het optreden van de eerste symptomen. EHV-1 is de meest voorkomende oorzaak van abortus bij drachtige merries. Abortus treedt gewoonlijk op in het 3e trimester van de dracht. De merrie kan echter al enkele weken tot meerdere maanden voordien besmet zijn. In zeldzame gevallen veroorzaakt het virus zenuwsymptomen, voornamelijk te zien aan de achterbenen.

Hoe raakt je paard besmet?

Overdracht van EHV gebeurt door direct contact met de neusvloei van een besmet paard, door indirect contact (via de mens, materiaal,…) of op korte afstand via de lucht. In het geval van abortus zijn strikte hygiënemaatregelen essentiëel: de foetus, het vruchtwater, de nageboorte en vaginale uitvloei zitten immers vol met virus.

Hoe kan je je paard beschermen?

Goed stalmanagament is belangrijk om de verspreiding van het virus tegen te gaan. EHV-1 kan zowel luchtwegproblemen als abortus als zenuwstoornissen veroorzaken. Zo kan het virus, uitgescheiden door een jaarling met luchtwegproblemen, abortus veroorzaken bij een drachtige merrie. Deze merrie kan op haar beurt de oorzaak zijn van zenuwsymptomen bij een ander paard in de stal. Enkele maatregelen ter preventie van uitbraken zijn:

  • vermijden van stress
  • verdelen van paarden in kleinere groepen
  • isoleren van nieuwe paarden bij aankomst
  • trainings- of sportpaarden, jonge paarden en drachtige merries scheiden

Alhoewel vaccinatie niet verplicht is, vormt het de hoeksteen van de preventie bij rhino. Ook al biedt vaccinatie geen 100 % bescherming, een gevaccineerd paard zal minder symptomen vertonen bij ziekte. Gevaccineerde paarden scheiden ook minder virus, waardoor de verspreiding van virus naar andere paarden vermindert. Het vaccineren van de hele stal zorgt voor een lagere infectiedruk en een nog betere controle van het virus.

Het veranderende klimaat en de toegenomen mobiliteit zorgen ervoor dat nieuwe ziekten in opmars zijn. West-Nijlziekte is er daar één van. De laatste 15 jaar werden er uitbraken bij mensen en paarden gemeld in Zuid- en Centraal- Europa. Maar in 2018 is ook in Duitsland voor het eerst West-Nijl virus (WNV) aangetroffen bij paarden en in 2020 rapporteerde het RIVM de eerste besmettingen bij vogels en mensen in Nederland. Het West-Nijl virus wordt op paarden en mensen overgedragen door de beet van geïnfecteerde muggen.

Hoe kan je je paard beschermen tegen West-Nijl virus?

Vaccinatie en goed stalmanagement zijn een belangrijke schakel in de preventie van infectieuze ziekten zoals rhino, influenza en West-Nijl virus. In tegenstelling tot bij influenza en rhino kan een paard dat besmet is met West-Nijl virus geen andere paarden besmetten. Het virus wordt immers overgedragen door de beet van een besmette mug, paarden en mensen zijn doodlopende gastheren. Dit betekent ook dat een individueel paard beschermd is na vaccinatie, ook als de andere paarden op stal niet geënt zijn. Gevaccineerde paarden kunnen nog besmet worden maar zullen veel minder symptomen vertonen. Vaccinatie gebeurt best in het voorjaar, voor de start van het muggenseizoen. Een primovaccinatie bestaat uit 2 inentingen met een interval van enkele weken. Nadien volgt er een jaarlijkse herhalingsvaccinatie.

Voorkom blootstelling aan muggen.

Muggenlarven hebben water nodig voor hun ontwikkeling. Voorkom daarom dat er stilstaand water aanwezig is in de buurt van paarden. Hieronder vind je enkele tips om de blootstelling aan muggen zo laag mogelijk te houden.

  • Zet paarden op stal tijdens de avond- en ochtendschemering, het tijdstip waarop muggen actief zijn.
  • Bescherm je paard met een vliegendeken en/of vliegenmasker
  • Gebruik een insectenwerend product voor jezelf en je paard
  • Hang vliegengaas voor de stalramen
  • Ruim voorwerpen waar water in kan blijven staan op: regentonnen, verstopte dakgoten, lege voeremmers….
  • Ververs regelmatig het water in drinkbakken, minimaal om de 4 dagen

Symptomen en behandeling van West-Nijlziekte?

Bij de meeste geïnfecteerde paarden verloopt het ziekteverloop mild, met weinig symptomen.  Typisch zijn de griepachtige symptomen zoals koorts, verlies van eetlust, en lusteloosheid. Toch krijgt 10 % van de paarden* ook neurologische problemen: spiertrillingen, hoofd schuinhouden of tegen de muur duwen, gedeeltelijke verlamming en niet meer zelfstandig kunnen blijven staan. Het sterftecijfer van paarden met neurologische sypmtomen schommelt tussen 20 en 57%.  Als u denkt dat uw paard besmet is met West-Nijl virus, neem dan contact op met uw dierenarts. Via een grondig onderzoek kan hij snel de juiste diagnose stellen en een behandeling opstarten. Er bestaat geen specifieke behandeling tegen de aandoening zelf, elke behandeling zal symptomatisch en ondersteunend zijn.